Categorieën
Het Parool

Mr. Cornelis directeur van Residentie Orkest

(Van onze muziekredacteur)
Wat wij vorige week reeds officieus meldden, is gisteravond officieel geworden: mr. E. Cornelis is met ingang van 1 December benoemd tot directeur van het Residentie Orkest.

Voor het Amsterdamse muziekleven betekent zijn heengaan een groot verlies; want in de jaren, dat hij deel uitmaakte van de leiding van het Concertgebouworkest en secretaris was van het Holland Festival heeft hij getoond een figuur te zijn met initiatief, durf en vaak persoonlijke ideeën, eigenschappen, die het hoofdstedelijk muziekleven zo dringend nodig heeft. Wij menen, dat mr. Cornelis in zijn nieuwe functie voor Den Haag van grote betekenis kan worden en verwachten van zijn samenwerking met dirigent Willem van Otterloo veel goeds voor het Residentie Orkest.

Tot nu toe had dit orkest geen afzonderlijke directeur, maar werden de bij die functie behorende werkzaamheden voor een deel vervuld door de eerste dirigent.

Categorieën
Het Parool

de lopende band

BIJ mijn weten bestaat er in ons land geen enkel boek over muziek, dat te vergelijken is met “In het wonderland der muziek”, een door mevr. M. Andriessen-Bies in het Nederlands bewerkte uitgave van “Ins Wunderland der Musik”, door de Zwitser Kurt Pahlen. Het is een alleraardigst boek voor kinderen geworden, waarin op een prettige, niet docerende manier over allerlei zaken uit de algemene muziekleer en -geschiedenis wordt verteld.

Eigenlijk kan iedereen het lezen, maar een bijzondere verdienste is wel, dat het geschikt is voor kinderen van pas een jaar of negen. De jeugd is er voortdurend zelf in aan het woord, stelt vragen en de schrijver geeft antwoorden. Hij vertelt hun over de zangstemmen, de instrumenten, neemt hen mee naar een concert van een echt orkest, naar een opera opvoering, en zelfs gramofoon, radio en film komen ter sprake.

Van bekende componisten komt men het een en ander te weten, en ten slotte zingen de kinderen zelf in een koor mee. De uitgeverij “Kosmos”, Amsterdam-Antwerpen, zorgde voor een frisse uitgave. Prijs f 4.90.

L. V. D.

Categorieën
Het Parool

Elisabeth Schwarzkopf: Zangkunst met groot raffinement

Voor het eerst heb ik gisteravond een zangeres in de volle kleine Concertgebouwzaal van Amsterdam horen fluiten! Ja, fluiten staat er, U leest het werkelijk goed: Elisabeth Schwarzkopf gaf aan het slot van haar liederenavond nl. een toegift, een aria uit Gluck’s opera-comique “L’arbre enchanté” en het was daarin, dat zij, tot aller vermaak, moest fluiten, volgens voorschrift van de componist. Zij deed dit overigens voortreffelijk.

Maar alle gekheid op een stokje, haar zingen was méér dan voortreffelijk. Dat was vrijwel volmaakt, althans in het deel na de pauze, dat ik hoorde. Want technisch bleef geen wens onvervuld; in alle registers klonk haar grote sopraan even prachtig. En wat zij aan expressie wist te geven, was al even bewonderenswaardig. Elk van de zeven Wolfliederen, die zij zong, kreeg precies de sfeer die er bij paste. En zo was het ook in vier liederen van Richard Strauss.

En toch, hoe intelligent en volmaakt haar vertolkingen ook waren, toch raakte dit alles mij nauwelijks, het ontroerde mij niet. Veeleer kreeg ik de indruk hier te doen te hebben met een zangeres, die door enorm raffinement suggereert alles te kunnen. Maar juist dat, wat raffinement niet kan oproepen, miste ik: ziel.

Jean Antonietti’s begeleidingen waren uitzonderlijk muzikaal en vooral raak van sfeer.

Vóór de pauze hoorde ik in de Grote Zaal het Utrechts Stedelijk Orkest, dat voor de Kunstkring “Voor allen” onder Paul Hupperts een doorzichtige en mooi opgebouwde uitvoering gaf van Mendelssohn’s “Hebriden”-ouverture. Veel minder beviel mij het spel van Julius Katchen, die in Tsjaikowski’s eerste pianoconcert zijn verbluffende virtuositeit op onverbiddelijke hardhandige wijze ten toon spreidde. De vleugel had er danig onder te lijden.

LEX VAN DELDEN

Categorieën
Het Parool

Holland Festival 1950 brengt meer kunsten dan vorig jaar

Ook toneel en letterkunde ingeschakeld

(Van onze muziekredacteur)
De voorbereidingen voor het Holland Festival in 1950 zijn reeds ver gevorderd; contracten met orkesten, solisten, dirigenten, opera- en kamermuziekgezelschappen, balletten zijn gesloten en in Januari 1950 begint men alweer met de eerste voorbereidingen voor het in 1951 te houden festival. Dit is een van de vele mededelingen, die ons zijn gedaan tijdens een bijzonder grootscheepse conferentie in Hotel Sassenheim, waar mr. H. J. Reinink, voorzitter van het Festival-bestuur de pers uit Den Haag en Amsterdam toesprak.

Het meeste treft, dat volgend jaar voor het eerst het toneel aan bod komt: de Old Vic speelt dan twee weken Shakespeare’s “Hamlet” en Goldsmith’s “She Stoops to Conquer”, en een Nederlands gezelschap (welk is nog onbekend) voert Sophocles’ “Antigone” op, in de vertaling van Brinkgreve en met de muziek van Willem Pijper. In het Delftse Prinsenhof gaat men een middeleeuws openluchtspel ten tonele voeren.

En dan: de letterkunde wordt ingeschakeld! In het Haagse Gemeentemuseum komt een expositie van Europese en Amerikaanse literatuur. Verder zullen Nederlandse auteurs (ook in Amsterdam) lezingen houden en o.a. uit eigen werk voordragen.

De dansliefhebbers kunnen het Monte Carlo Ballet weer bewonderen, dat naar alle waarschijnlijkheid Strawinski’s “Petroesjka” zal dansen, met het Concertgebouworkest o.l.v. Pierre Monteux, die indertijd de wereldpremière van dit werk dirigeerde.

Monteux bij Opera

Dit is niet het enige, dat Monteux dirigeert in de tijd dat hij hier is (van 15 Juni tot 15 Juli). Want hij leidt bij de Ned. Opera o.a. de eerste uitvoering in ons land van Weber’s “Oberon”, een voorstelling, waarin men Monteux zal huldigen t.g.v. zijn 75ste verjaardag. Bovendien brengt hij Offenbach’s “La belle Hélène” en Bizet’s “Carmen”. En dan geeft de opera waarschijnlijk een Nederlandse première: Hendrik Andriessen’s “Philomela”, op tekst van Jan Engelman, o.l.v. Paul Pella.

De Wagnervereniging brengt Wagner’s “Walküre” onder Erich Kleiber, die met Van Beinum, Furtwängler en Monteux de concerten van het Concertgebouworkest leidt. Het Haagse Residentie Orkest speelt onder Bernstein, Münch, Van Otterloo en Schuricht. Nieuw is het Festival Kamerorkest (samengesteld uit leden van het Concertgebouworkest), dat onder Szymon Goldberg werken van Bach, Haydn en Mozart uitvoert, o.a. de zes Brandenburgse concerten van Bach.

De Ned. Bachvereniging neemt een groot deel van een Bach-herdenking voor haar rekening met de Hohe Messe, de Johannes Passie en de wereldlijke cantates, Alma Musica speelt “Das musikalische Opfer”.

Natuurlijk ontbreekt Felix de Nobel’s Nederlandse Kamerkoor niet en ook het A’damse Kamermuziekgezelschap verleent zijn medewerking.

En onze zangers zal het interesseren te vernemen, dat enkele van onze dilettantenkoren aan het Festival deelnemen. Men wil bij het begin van het Festival overal in den lande carillonbespelingen organiseren.

De film krijgt een ruimere plaats toegemeten dan vorig jaar. En wat de beeldende kunsten betreft: Den Haag krijgt o.a. in het Gemeentemuseum een expositie van Braque, Matisse en Rouault, Amsterdam in het Rijksmuseum een grote zomerexpositie en in het Stedelijk Museum moderne Amerikaanse schilderijen en doeken uit Haïti.

Meer dan vorig jaar zullen er volksvoorstellingen worden gegeven van talrijke manifestaties, zodat ook financieel weinig draagkrachtigen de gelegenheid krijgen het gebodene te genieten.

Categorieën
Het Parool

KNTV geeft opdracht aan Jan Felderhof

(Van onze muziekredacteur)
De opdracht tot het componeren van een orkestwerk, die de Kon. Ned. Toonkunstenaars Vereniging (zoals wij enige tijd geleden meldden) aan Willem van Otterloo had verstrekt t.g.v. haar 75-jarig jubileum, is door hem teruggegeven. Zijn drukke werkzaamheden verhinderden hem die opdracht uit te voeren.

De KNTV heeft nu Jan Felderhof opgedragen een kamermuziekwerk te schrijven, dat in de feestweek (van 18 tot 25 Juni 1950) in de kleine Concertgebouwzaal van Amsterdam zijn première zal beleven.

Categorieën
Het Parool

Nieuwe gramofoonopnamen van klassiek, jazz en chansons

Beethoven en Smetana, Ellington, Lys Gauty

U weet niet wat U Sint-Nicolaas voor cadeaux moet vragen? Voor muziekliefhebbers, die een gramofoon bezitten, is de zaak gauw opgelost. Men kan thans weer in ruimere mate gramofoonplaten kopen. En uit de opnamen, die “Decca” onlangs op de markt bracht, zult U zeker een keuze kunnen doen, want ze zijn bijna zonder uitzondering van de allerbeste kwaliteit.

Bij de klassieke werken vond ik Beethoven’s Zesde Symphonie (de pastorale) wel het mooiste, ten eerste omdat de uitvoering door het doorzichtige Londens Philharmonisch Orkest o.l.v. Erich Kleiber aan de allerhoogste eisen voldoet en ten tweede omdat de opname vrijwel ideaal is. Strijkers en blazers “komen” schitterend “door” en de verhouding tussen de verschillende orkestgroepen is volmaakt gerealiseerd. Het geheel bestaat uit tien plaatkanten (AK 1824-1828).

Ook in Brahms’ vioolconcert (AK 2055-2059, tien plaatkanten) is de orkestklank van het Concertgebouworkest onder Charles Münch uitstekend. Bovendien speelde Ossy Renardy de solopartij met krachtige, kloeke toon en bijzonder expressief.

Bezwaren: de viooltoon (die in de hoogte wat scherp gereproduceerd is) is te sterk ten opzichte van de orkestklank. In het eerste deel trof mij een te vroege inzet, in het tweede de voortreffelijke hobosolo (wat natuurlijk géén bezwaar is!).

Rimski-Korsakow’s “Sheherazade” was bij het Parijse Conservatoire Orkest in goede handen, al is de directie van Ernest Ansermet, hoe verzorgd ook, mij wel wat te precieus en onbewogen. Maar de vele solistische partijen worden virtuoos gespeeld en bijna even goed is de acoustische weergave (AK 1980-1985, twaalf plaatkanten).

Nog een bijzonder geslaagde opname is K 1667, waarop het BBC-Theater Orkest o.l.v. Walter Goehr aan de ene kant “De dans van de komedianten” speelde en aan de keerzijde de Polka uit Smetana’s “Verkaufte Braut”. Prachtig meeslepend orkestspel en, op enkele plekken na, een ideale opname.

“Klassieke jazz”

Ook op het gebied der jazz heeft de “Decca” uitstekend werk gedaan door enkele “klassieken” uit te brengen. Ronduit meesterlijk vond ik Bob Zurke’s pianosoli in twee opnamen van Bob Crosby’s orkest: de opwindende “Yancey Special” en “Honky Tonk Train Blues”, beide voorbeelden van de echte dixielandstijl (M 32549). En direct hierop volgt M 32548, die het King Cole Trio de gelegenheid bood “That ain’t right” en “Scotchin’ with the soda” te spelen. Ook hier prachtig pianospel, door Cole zelf, die ook de zangsolo verzorgt.

Kenmerkend voor Duke Ellington zijn “East St. Louis Toodle-Oo”, (zijn vroegere herkenningsmelodie) en “Rockin’ Chair”, kenmerkend om de merkwaardige, donkere achtergrond van koperen blaasinstrumenten (M 32645). Ellington is in deze opnamen niet op zijn allerbest, maar toch zijn ze zeer de moeite waard. Ella Fitzgerald, die ook haar sporen verdiend heeft in de jazz, zong met de Song Spinners “Tea leaves”, een vervelende, zoetelijke foxtrot. Aan de keerzijde: “You turned the tables on me”, dat veel beter is en aan de “echte” jazz doet denken (M 32567).

Chansons

Wie van het Franse chanson houdt, moet beslist plaat M 32581 kopen, waarop Lys Gauty een foxtrot (“L’oiseau bleu”) zingt en een wals (“Dis-moi pourquoi”). Een heel persoonlijke manier van zingen, zeer bezield en hartstochtelijk. Zij wordt uitstekend begeleid door een Nederlands orkest o.l.v. Gerard van Krevelen, dat veel beter is dan de beide Franse orkesten, die Lucienne Boyer ondersteunen op M 32532. Trouwens ook de zang van Lucienne Boyer is lang niet zo persoonlijk als die van Lys Gauty. Lucienne zong twee prettige Franse walsjes: “Amour” en “Prends-moi dans tes bras”.

De Decca liet nóg twee Nederlandse ensembles aan bod komen. In de eerste plaats het uitstekende kwartet van Sem Nijveen, dat een heel apart karakter demonstreert in “Kreuzer-Etude” en Khatsjatoerian’s “Sabeldans” (M 32601), virtuoos gearrangeerd en uitgevoerd. En in de tweede plaats het kwartet Jan Corduwener, dat ik in “Trifle” en “Bell Bottom Trousers” niet erg kon bewonderen. Het speelt conventioneel en saai in arrangementen, die even vervelend zijn (M 32673).

LEX VAN DELDEN

Categorieën
Het Parool

Twee mooie boeken over Mozart en Haydn

Er zijn twee mooie boeken verschenen over de beroemde componisten Mozart en Haydn, bij de uitgeverij “De Librije” in Haarlem. Twee Amerikanen, Opal Wheeler en Sybil Deucher schreven op een prettige, onopgesmukte manier over hun leven, hun reizen en hun werk en kinderen van een jaar of tien zullen er met plezier over lezen. Willy Leviticus verzorgde er een heel goede Nederlandse bewerking van.

Erg leuk zijn de vele tekeningen van Mary Greenwalt. De boeken kosten f 3.90 per deel.

L. V. D.

Categorieën
Het Parool

Mr. E. Cornelis directeur van Residentie Orkest?

(Van onze muziekredacteur)
Wij hebben gegronde redenen om aan te nemen, dat mr. Evert Cornelis, tot nu toe lid der directie van het Amsterdamse Concertgebouw, is benoemd tot directeur van het Residentie Orkest. Van de zijde van dit orkest kon men ons officieel geen bevestiging van dit bericht geven. Maar ontkennen deed men het evenmin.

Ook van de zijde van het Concertgebouw kon men ons geen inlichtingen verschaffen, daar zowel dr. K. Mengelberg als de heer Cornelis in het buitenland vertoeven.

Categorieën
Het Parool

Professor Van den Borren: “Muziek in de Nederlanden”

TOT nu toe is slechts het eerste van twee delen verschenen over de “Geschiedenis van de Muziek in de Nederlanden”, maar dat is al ruimschoots voldoende om onder de indruk te komen van de enorme kennis van zaken van de auteur prof. Dr. Charles van den Borren. Musicologen kennen prof. Van den Borren reeds jaren: hij is niet jong meer (17 November werd hij 75 jaar), was professor in de muziekgeschiedenis aan de Universiteit van Brussel en sinds 1920 bibliothecaris aan het conservatorium aldaar.

Een aanzienlijke hoeveelheid geschriften heeft hij op zijn naam staan, o.a. over Scarlatti, over César Franck, maar vooral over oude muziek, met name zijn werken over Lassus en Dufay gelden als de belangrijkste publicaties op dit gebied. Steeds schreef hij in het Frans, maar juist deze “Geschiedenis van de Muziek in de Nederlanden” liet hij, in een goede vertaling door een andere Belgische musicoloog van naam, dr. M. Boereboom, eerst in het Vlaams verschijnen.

Het is een ongemeen knap boek geworden, dat de evolutie van de muziek in de Nederlanden behandelt, al van vóór de 15de eeuw. Het hoofdstuk over de 15de eeuw, met als eerste genie Dufay (“Het grootste sieraad ter wereld” genoemd door een tijdgenoot) is bijzonder belangwekkend, omdat het duidelijker dan ooit tevoren de revolutionnaire groei van gothiek naar renaissance belicht. Een groei, die via grootmeesters als Ockeghem, Obrecht, Des Prez, loopt naar Willaert, Clemens non Papa, Lassus en Sweelinck.

Over al deze geniale figuren schrijft prof. Van den Borren en men heeft na lezing van dit eerste deel de stellige overtuiging, dat de schrijver alles, wat op dit gebied tot nu toe bekend is geworden, volledig beheerst met een meesterschap, dat niemand hem zou kunnen verbeteren. Menige misvatting wordt aan de kaak gesteld en zo geeft dit prachtige, in de eerste plaats voor vaklieden, maar daarnaast ook voor de belangstellende leek bedoelde, werk een volledig overzicht van de bloeitijd der Nederlandse muziek.

De Wereldbibliotheek N.V. Amsterdam-Antwerpen, die het f 17.50 kostende boek voortreffelijk uitgaf, heeft hiermee een belangrijk en niet te overschatten werk verricht.

LEX VAN DELDEN

Categorieën
Het Parool

De Wognummers zongen in Amsterdam

Het Wognums Zangkoor, destijds als de Wognummers alom bekend, liet zich gisteravond weer in Amsterdam horen: in een door de zendingsorganisatie “Meer voor Oost” georganiseerd concert in de Emmakerk aan de Middenweg. Een vergelijking met de vroegere prestaties en kwaliteit is mij onmogelijk, want ik hoorde het thans voor de eerste maal. En die kennismaking is mij eerlijk gezegd wat tegengevallen.

Wél bleek, dat men een grondige koorscholing heeft ondergaan, dat de koorleden voortreffelijk articuleren en een vrijwel volmaakt ensemble vormen. Maar de beheerste directie van de heer D. Saal Wzn. leek mij de oorzaak van de bezwaren, die ik tegen dit verzorgde zingen heb: het blijft steeds nogal afgemeten en keurig en biedt nauwelijks gelegenheid tot bewogenheid.

In heel dit programma met werken van o.a. Gabriëli, Dvorák, Bruckner en Diepenbrock kwam men nooit eens tot werkelijke bezieling, en dat wordt vervelend op den duur. De organist Piet van Egmond verleende zijn medewerking.

LEX VAN DELDEN