Categorieën
Over Lex van Delden

Joyce Kiliaan: ECHTE HELDEN HOOR JE ZELDEN

Tekst van een lezing door Joyce Kiliaan in het Verzetsmuseum te Amsterdam op 21 november 2019.

Lex van Delden
Marius Flothuis

We schrijven het jaar 1951. Links zien we Lex van Delden als chef van de kunstredactie van Het Parool, in het voormalige Telegraaf-gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal, en rechts Marius Flothuis, op de overloop van zijn woonhuis aan de Stadhouderskade 141. Beide foto’s zijn – waarschijnlijk door fotografen van Het Parool – genomen, terwijl ze met elkaar telefoneerden. Flothuis en Van Delden werkten toentertijd aan één compositie. In opdracht van Phia Berghout  kwam er een bijzonder werk tot stand: de  eerste Nederlandse compositie voor twaalf harpen, onder de titel ‘Kleine Suite’. Het werk zou uitgevoerd worden ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van Rosa Spier, als harpiste in het Concertgebouworkest de voorgangster van Phia Berghout.

De levens van de twee musici-componisten en verzetsmensen vertonen grote overeenkomsten. Ze zijn beide geboren en overleden in Amsterdam, beiden werden ze bekend als componist en beiden speelden een rol tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar er zijn ook verschillen: Marius Flothuis was, geboren op 30 oktober 1914, vijf jaar ouder en mocht ook veel langer leven dan Lex van Delden, want hij overleed op 13 november 2001. Lex van Delden werd geboren onder de naam Alexander Zwaap, op 10 september 1919, en overleed op 1 juli 1988.

Lex van Delden werd geboren aan de Rechtboomssloot, bij de Nieuwmarkt, middenin de Amsterdamse jodenbuurt. Hij was het enige kind van de onderwijzer Wolf Zwaap (Amsterdam, 22 september 1894 – Sobibor, 2 juli 1943) en Sara Olivier (Amsterdam 1895 Sobibor 2 juli 1943) die hem, zoals op foto’s zichtbaar is, een liefdevolle en warme jeugd bezorgden.  Beide ouders waren joods, maar niet orthodox gelovig.

Lex Zwaap kreeg al vroeg pianolessen. En vanaf zijn elfde jaar wijdde hij zich als autodidact – aan het componeren, toen hij met griep op bed lag en geen piano kon spelen. Maar zijn grote passie was voetballen! Als kind speelde hij al in het juniorenelftal van Ajax. In het jubileumboek van Ajax staan alle juniorenelftallen afgebeeld die met elkaar op het veld de naam van hun club vormen. De veertienjarige Lex is daarbij ‘het puntje op de j’. Toen Lex Zwaap in 1931 naar de eerste klas van het Vossiusgymnasium ging, zat Marius Flothuis in het eindexamenjaar van datzelfde gymnasium. Lex stond bekend als een muzikale jongen. ‘Maar’, zegt zijn oud-klasgenoot dr. Berreklouw in 1989 in Vrij Nederland: ‘Mischa Hillesum was een betere pianist dan hij, dat vond iedereen’. Mischa, beschreven in de biografie van zijn zus Etty, heeft de oorlog niet overleefd.

Uit 1937 stamt Lex Zwaaps eerste compositie: L’Amour voor zangstem, fluit, klarinet, viool, altviool en violoncel.  Hij vervulde toen zijn dienstplicht en het was Nico Richter die het werk met het Amsterdams Studenten Muziekgezelschap uitvoerde. In 1938 studeerde hij medicijnen aan de Universiteit van Amsterdam, daarnaast deed hij piano bij Cor de Groot.  

Lex van Delden zei in 1983, tijdens een van de schaarse interviews over de oorlogsperiode zelf:

‘Bij mij was de oorlog ook begonnen voordat de echte strijd in Nederland ontbrandde. Mijn herinnering gaat terug naar 1939, toen in Nederland de mobilisatie al was afgekondigd. Ik moest toen als medisch student ook in uniform rondlopen. Ik was dus soldaat. Ik heb toen mijn debuut als componist gemaakt in het studentenorkest, dat was een stuk dat ik later als mijn opus 1 ben gaan beschouwen. Die avond zelf heb ik als pianist opgetreden en als bespeler van de pauken in de Nocturna Serenata van Mozart.[1] Maar ik was die avond in uniform, heel merkwaardig. Je realiseert je dan dat je in dezelfde situatie verkeert als in andere landen en toen de werkelijke oorlog in mei ’40 hier in Nederland uitbrak, ben ik er ook daadwerkelijk mee geconfronteerd. Medisch studenten moesten toen naar de brand in Rotterdam om daar hulp te bieden.[2] We zijn daar nooit aangekomen, we zijn niet verder gekomen dan Den Haag. ’s Avonds waren er schoten en in Rotterdam konden we niets doen, we moesten terug.

Dan vlak daarna heb ik in de eerste jaren van de oorlog in de Joodse Raad gewerkt met een Poolse danseres. Ik ben Joods namelijk. Ik heb ook in dat duo meegewerkt, Johnny & Jones,[3] in de lichte muziek en de violist Sal Doof, die was dirigent van het Tip Top Theaterorkest, dat was een bioscoop in de Jodenbreestraat en voor dat orkest heb ik in dat eerste jaar van de oorlog nog allerlei bewerkingen gemaakt uit opera’s en operettes. Laat ik het hierbij laten, want ik denk dat mijn collega [4] wel weer aan het woord wil.’ Deze ontwijking is heel typerend voor Lex van Delden: zo gauw het te dichtbij komt en je verwacht dat hij nu écht gaat vertellen wat hij in de oorlog heeft meegemaakt, haakt hij af…  

Inmiddels woonde het gezin Zwaap in 1941 aan de Johann Keplerstraat 40/boven in Amsterdam-Oost. In datzelfde jaar moest Lex ook zijn medische studie staken, niet alleen omdat er een ‘loyaliteitsverklaring’ ondertekend moest worden, maar juist omdat het Joden verboden werd aan een universiteit te studeren.  

Lex van Delden: ‘Ik deed bij de Joodse raad een aantal dingen, onder andere een kinderoperaatje op tekst van mijnheer Englander, naar het sprookje van Andersen “de Nachtegaal”. Dat stuk was bedoeld uitgevoerd te worden door een groep kinderen tussen 6 en 9 jaar. De hoofdrol ervan zou toevertrouwd worden aan een meisje van 9 jaar dat de rol van vertelster in het stuk zou hebben. Dat was het zusje van Lou de Jong. We hadden heel hard gewerkt aan dat werk. Er kwamen grote vierstemmige koren in voor, ook spreekkoren en de regie werd gevoerd door Jo Sternheim. Toen we een tijdje met die repetities bezig waren, bleek op een gegeven ogenblik dat er een of twee jongens en meisjes niet waren. Die waren weggehaald voor deportaties naar Westerbork om doorgestuurd te worden naar de Duitse concentratiekampen. Zo ging het praktisch iedere dag. Het was een buitengewoon tragische belevenis. We konden eigenlijk alleen maar huilen, iedere dag, en het is dus nooit tot een opvoering gekomen.  Ik heb in die tijd erg veel stukken geschreven voor vrienden, studenten. Ik was zelf ook nog medisch student. Die stukken heb ik gewoon weggegooid of die zijn verloren gegaan in de oorlog…’ Hier ontwijkt Van Delden weer, ‘gewoon weggegooid’: de werkelijke reden was het geallieerd bombardement op Nijmegen van 22 februari 1944, waar hij ondergedoken had gezeten. Grofweg ontbreken in huidige opuslijst de werken die gecomponeerd zijn tussen 1942 en 1944. ‘Het zijn meestal kamermuziekstukken geweest, trio’s, kwartetten, kwintetten, liederen en dat is één van de redenen dat er niet veel over is. Wat wel overgebleven is, dat is het aardige voorbeeld wat ik noemde, dat is een Suite voor altviool en piano. Dat is in 1942 geschreven en is tot stand gekomen op een heel merkwaardige manier. Mijn vriend Nico Richter, zelf medisch student, 5 jaar ouder dan ik, die leidde een studentenorkestje en vroeg me:Kun je niet op ‘Rats, kuch en bonen’ [5] een stuk maken voor altviool en piano?”  Het was een weddenschap, ik moest het in één avond kunnen componeren. Dus ik won! Heb er later in 1942 nog vier deeltjes omheen geschreven en zo is dan die Suite ontstaan.’

Hoe is Lex van Delden eigenlijk definitief tot de muziek gekomen? Hij gaf zelf het antwoord in ander interview. Hij zei daar:

Ja, Nico heeft mij eigenlijk tot de muziek “bekeerd”, dat mag ik wel zeggen. Hoewel de uiteindelijke beslissing door de Duitsers is genomen. Ik mocht mijn studie medicijnen niet meer voortzetten, en ben uiteindelijk als componist blijven doorzetten en kreeg na de bevrijding direct opdrachten zodat ik professioneel bezig kon blijven als componist. Leo Smit heb ik maar heel oppervlakkig gekend. Ik kende wel zijn muziek, die ik erg bewonderde.

Marius Flothuis vertelde over Lex van Delden dat hij zich nog tijdens zijn studietijd aansloot bij het ondergrondse studentenverzet en dat hij zelfs deel uitmaakte van knokploegen die in het hele land actief waren.

Toen de aarde in Amsterdam hem in 1941 te heet onder de voeten werd, hebben Lex’ ouders bij goede vrienden in Veenhuizen hem zijn eerste onderduikadres weten te bezorgen, bij Jan en Eef van der Linden, die zij kenden uit het onderwijs. Maar Lex hield het daar niet uit. Hij mocht er niets. Best begrijpelijk, want het moedige gezin had ook nog twee kleine kinderen. Vanuit Veenhuizen is hij begonnen met het ondergrondse verzet overal in het land.

De violiste Hetta Rester, die Lex kende via het studentenorkest en via haar eerste man, de componist Nico Richter, heeft hem daar een keer opgezocht. Ze vertelde over zijn tijd in Veenhuizen:  ‘Hij moest werken in de tuin, maar hij zat niet echt opgesloten. We hebben nog gewandeld in het bos. Toch kon hij het er niet uithouden.’ En een van de voormalige leiders van het Amsterdamse studentenverzet en studiegenoot van Lex, de latere neurochirurg professor Sam de Lange vertelde over hem: ‘Hij mocht er geen piano spelen, terwijl er in zijn kamer er wel een stond. Hij werd er gek van. Zodra we de beschikking hadden over betere papieren, hebben we hem teruggehaald naar Amsterdam.’ Op zijn valse persoonsbewijs stond de naam ‘W.A. van Dael’. Wanneer en waarom Lex Zwaap zich Lex van Delden is gaan noemen, is onbekend. Tijdens de oorlog wist niemand welke achternaam Lex Zwaap gebruikte. Zwijgzaamheid, zegt de journaliste Jeanne Roos, was in het verzet onderdeel van de I.T., de Ideale Techniek. Jeanne was op verschillende manieren actief in het verzet, net als  de jongens voor wie ze kookte. ‘Lex en Sam de Lange en Hans Horninge, die ook medisch student was, die kwamen vaak,’ zegt ze. ‘Ik maakte pulp goreng, met gebakken tulpenbollen, dat soort dingen. Voor achten gingen ze weg, naar hun onderduikadres. Ze sliepen geen nacht achter elkaar op dezelfde plek. Ik weet nog dat Lex een keer ziek was, toen heb ik pannenkoekjes van suikerbietpulp gemaakt.’ Ook De Lange herinnert zich alleen maar flarden. Bijvoorbeeld dat Lex een keer met hem en Jeanne Roos mee ging om eten te halen, op een slee, en dat hij zijn bergschoenen aan Lex gegeven had. ‘Zelf had hij niets meer’, zegt De Lange. ‘Het huis van zijn ouders was leeggehaald.’  Jaren na de oorlog kreeg Lex een fotoalbum van de vroegere buren van zijn ouders uit de Keplerstraat. Een drietal door zijn ouders met potlood beschreven briefkaarten hadden ze in het album bewaard. ‘We zitten nu in de trein naar Westerbork, we zijn vol goede moed’ en later ‘Hartelijk, hartelijk dank voor het toesturen van de pakketten’ en een laatste: ‘Doe de hartelijke, hartelijke groeten aan Poes.’ Ze hadden helemaal geen poes, ze bedoelden daarmee hun zoon Lex. Wolf en Sara Zwaap werden beiden op 2 juli 1943 in Sobibor om het leven gebracht.    

De Lange vertelt dat de Amsterdamse Studentenverzetsbeweging aan het eind van de oorlog, als onderdeel van de Binnenlandse Strijdkrachten, echt bewapend werd. Lex was toen al in het hele land actief.  ‘Wij’, vertelde Sam de Lange, ‘zorgden voor onderduikadressen, voor extra bonkaarten en valse persoonsbewijzen, en Lex deed daaraan mee. Ik denk wel dat hij wilde laten zien dat hij wat durfde. Zo’n jongen was het wel.’

Niet alleen vrienden, collegae en familie, ook de kinderen kregen weinig los uit Lex van Delden. Flothuis:  ‘Eén van de wetten van het verzet, was ‘onzichtbaarheid’, en één van de dingen die je geleerd moet hebben van de toenmalige situatie is: je kan maar nooit zwijgzaam genoeg zijn. Het zwijgen, niet spreken, is de absolute eis. De mensen die het echt goed gedaan hebben, die hebben hun bek gehouden. Ik weet dat Lex van Delden een aandeel heeft gehad in het verzet, maar hij praatte daar nooit over en dat was kennelijk volgens het principe dat hij al in de oorlog in praktijk heeft gebracht: “klets niet!” Lex was het levende bewijs tegen de mensen die beweren dat “de joden geen verzet pleegden”. Het was voor joden tien keer moeilijker om verzet te plegen, ze waren sowieso al een bedreigde groep. Als niet-jood was je zo vrij om te gaan en te staan waar je wilde, maar joden niet, die moesten na een bepaalde tijd een ster dragen, om acht uur binnen zijn, etc.’

En tijdens de feestrede voor Van Deldens zestigste verjaardag zei Marius Flothuis:

Lex van Delden behoort tot de Joodse Nederlanders die actief zijn geweest in het verzet tegen de Nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik weet het – en daar is alles mee gezegd. Want Lex heeft zich ook ná de oorlog gehouden aan de gulden regel die voor goede verzetsmensen gold: klets niet!

Die zwijgzaamheid siert Lex van Delden, maar daardoor zijn er voor zijn kinderen veel open vragen gebleven. Naast de informatie van Sam de Lange weet Bertie dat haar vader Lex al vanuit Veenhuizen is gaan rondzwerven en op verschillende plekken is ondergedoken geweest. Ze weet van een burgemeestersgezin in Brabant met veel dochters, die heel aardig voor hem waren. Ook weet ze te vertellen hoe iemand haar vader gezien heeft op de fiets met een wapen zichtbaar onder zijn jas uitstekend. Een andere keer had hij een krant bij zich met daarin gevouwen informatie waaronder zijn eigen naam en verschillende adressen. Uit oorkonden, voor de Amerikanen ondertekend door generaal Eisenhower, voor de Britten door een hoge luchtmachtgeneraal, blijkt dat hij geallieerde militairen heeft geholpen op hun vlucht voor de vijand.

Over leed, verdriet en frustraties viel er geen woord, tot vlak voor zijn dood. Lex van Delden vertelde nog eind jaren ’80 dat hij een brief in de bus gevonden had met de mededeling: ‘dat het zo spijtig is dat ze hem overgeslagen hadden. Hij had ook aan het gas gemogen.’ Bertie vermoedt dat het iemand is die hem gekend heeft, iemand van de buren of iemand die ooit een slechte recensie heeft gehad van Van Delden.

Na de oorlog moest hij verder, maar hoe? Hij moest vernemen van de dood van zijn ouders, grootouders, vrienden. Aan het begin van de oorlog stond hij aan het begin van zijn studie, toen deze bruut werd afgebroken en hij, zoals Bertie het noemt, ‘vogelvrij’ was. Is hij ooit aangehouden, verhoord of erger? Niemand weet het. Wel dat hij alleen is overgebleven, als enige van zijn familie, en dat hij zijn leven moest oppakken met een enorme achterstand vergeleken met ‘gewone’ Nederlanders. Het lag voor de hand dat hij zijn studie medicijnen weer zou oppakken. Maar hoe moest hij dat bekostigen? Daarbij had hij de pech dat een exploderende carbidlamp tijdens zijn verzetsdaden een van zijn ogen zodanig beschadigd had dat hij zijn wens om zich na zijn medicijnenstudie te specialiseren tot neurochirurg niet meer kon verwezenlijken.

In 1946 werd Lex van Delden bij Het Parool geïntroduceerd door Paul Sanders. Max Nord was daar al jaren hoofd ‘Kunst’ en bureauredacteur, ook werkten er Edo Spier, Jeanne Roos en Eddy de Jongh. Volgens Paul Sanders was er nu genoeg papier om ook een muziekredacteur aan te stellen. De redactie bestond onder anderen uit Wim Hora Adema, Annie M.G. Schmidt, Jeanne Roos en Simon Carmiggelt. Volgens zijn collega’s was Lex een journalist pur sang (als hij met zijn eigen stuk klaar was, ging hij helpen op de sportredactie). Intussen had Lex van Delden een relatie met Jetty van Dijk, de zus van de toneelspeler Ko van Dijk. In 1946 traden ze in het huwelijk en een jaar later werd Lex jr. geboren, later bekend geworden als toneelspeler. Na de geboorte van Bertie in 1949 kwam in 1954 Thijs. Vanaf dat moment is het allemaal misgegaan met Jetty. Het begon met een zware depressie, die door ernstige complicaties voor haar, maar ook voor het gezin grote gevolgen zou hebben. Lex moest het redden met een zieke echtgenote, een pasgeboren baby en nog twee kleine kinderen van vijf en zeven jaar. Van Delden hield het gezin draaiende, met huishouden, baan, componeren en verschillende bestuursfuncties, tot aan haar dood in 1985, dus nog ruim dertig jaar. Wat voor een impact dat heeft gehad op hem en zijn kinderen, heeft hij nooit aan de buitenwereld getoond.        

Op de vraag van een journalist of voor Lex van Delden de oorlog voorbij was of dat hij verder gegaan is, ook in zijn muziek, antwoordde hij: ‘Als ik mijn lijstje van werken overzie, dan is hij voor mij heel lang doorgegaan. Ik heb een groot aantal werken geschreven die allemaal iets met de oorlog te maken hebben, soms met een begrip als “onderdrukking” en “bevrijding”. Het meest sprekende voorbeeld is dat is mijn eerste symfonie, De Stroom, mei 1940, op een tekst van Jan Prins, het bombardement van Rotterdam als onderwerp heeft. Een stuk voor sopraan, gemengd koor, 7 blazers, slagwerk en piano.

Het oeuvre van Van Delden omvat 114 opusnummers met alles behalve opera, wat weer een overeenkomst is met het oeuvre van Flothuis. Veel werken heeft hij op vraag van musici gecomponeerd en dat verklaart de soms wat ongewone instrumentencombinaties.

Flothuis karakteriseerde Van Deldens componeerstijl als volgt: ‘in zijn vroege werk componeerde Lex van Delden veel volgens het octotonische principe [denk hierbij aan muziek van Rimsky-Korsakow, Debussy en Stravinsky, J.K.] Later wordt Van Deldens stijl iets expressiever zonder dat daarbij de speelvreugde in het geding komt, zoals bijvoorbeeld Tomba, voor saxofoonkwartet uit 1985, dat hij ter nagedachtenis aan zijn overleden vrouw heeft geschreven.  Het meest bekend geworden is Lex van Delden met zijn In Memoriam uit 1953, geschreven ter herdenking van de slachtoffers van de watersnood in dat jaar.’

In 1948 ontving Lex van Delden de Grote Muziekprijs van de Stad Amsterdam voor zijn in 1947 gecomponeerde werk Rubáiyát  voor koor, sopraan- en tenorsolo, twee piano’s en slagwerk – weer zo een ongebruikelijke combinatie.  Een van de voorbeelden van Van Deldens betrokkenheid bij maatschappelijke, historische gebeurtenissen in de wereld, is Icarus, een radiophonisch oratorium uit 1962, dat de ruimtevaart als thema heeft. Het mocht niet voorkómen dat zijn muziek vanaf de jaren ’80 tot aan zijn dood in de vergetelheid raakte. Hij en zijn generatie werden letterlijk door de tijd ingehaald. Tot het einde van zijn leven bleef Van Delden zich inzetten voor de muziek van zijn generatiegenoten.


[1] Waarschijnlijk is bedoeld: Wolfgang Amadeus Mozart, Serenade nr. 6 in D-gr.terts, KV 239.
[2] 14 mei 1940: bombardement op Rotterdam
[3] Joods-Amsterdams duo dat in de jaren 1934-1941 jazz- en populaire muziek maakte.
[4] Bedoeld is Marius Flothuis.
[5] Een bekend, berucht liedje uit 1939 over het leven van soldaten tijdens mobilisatie.


Tekst van een lezing door Joyce Kiliaan in het Verzetsmuseum te Amsterdam op 21 november 2019.

Bronnen:

Marius Flothuis, radio-interview 5 mei 1983; artikel in: De Suite,  25 september 1989; Jannetje Koelewijn, artikel in: Vrij Nederland, 7 oktober 1989; interview J. Kiliaan met Marius Flothuis, voorjaar 1993; interview J. Kiliaan met Bertie van Delden, Amsterdam, 3 november 2019, en vervolgens correspondentie dd. 7 en 30 november, 10 december 2019; Foto’s uit bezit Marius Flothuis, kopie in archief JK

© Joyce Kiliaan