Categorieën
Het Parool

Nieuwe gramofoonplaten

Operaliefhebbers vóór

(Van onze muziekredacteur)
Zowel Columbia als Decca moet de operaliefhebbers, die een gramofoon bezitten, een warm hart toedragen: beide maatschappijen brachten voor hen enkele nieuwe opnamen uit. Bijzonder mooi is Col. LX 1208: het Intermezzo uit Mascagni’s “Cavalleria Rusticana” en dat van de derde acte uit Puccini’s “Manon Lescaut”, prachtig gespeeld door de Weense Philharmonie onder Herbert von Karajan en volmaakt gereproduceerd (f 6.50).

Al die voortreffelijke kwaliteiten heeft ook de opname van Gluck’s Ouverture “Alceste” door het Concertgebouworkest o.l.v. Eduard van Beinum op Decca X 10190 (f 6.75). Frans Vroons’ mooie tenor komt in twee aria’s van Puccini (uit “Tosca” en “Manon Lescaut”), begeleid door een orkest onder Hugo de Groot, volledig tot zijn recht (Decca XP 6041, f 5.10). En de opgewekte, geestige Ouverture “Orpheus in de Onderwereld” van Offenbach werd door het National Symphony Orchestra bijzonder voortvarend uitgevoerd onder Stanford Robinson’s leiding. Maar de opname is wat ondoorzichtig en weinig genuanceerd (Decca XP 6037, f 5.10).

Chopin-liefhebbers kunnen de Nocturne opus 48 no. 1 en de Mazurka opus 41 no. 2 voortreffelijk horen spelen door Malkoezinski op Col. LX 1228 (f 6.50), een opname die technisch aan de hoogste eisen voldoet. Evenals de plaat, waarop Isaac Stern in De Sarasate’s “Zigeunerweisen” bewijst tot de allerbeste violisten van deze tijd te behoren (Col. LX 1156, f 6.50).

Categorieën
Het Parool

Kerstliederen en amusementsmuziek op gramofoonplaten

Prachtige nieuwe opname van Mendelssohn’s Vioolconcert

(Van onze muziekredacteur)
Enkele gramofoon-maatschappijen vergaten niet te zorgen voor hen, die Kerst óf in een sfeer van wijding óf in een opgewekte stemming wensen te vieren. Daarom ditmaal eens begonnen met wat kleine gramofoonplaatjes, die f 3.50 (Columbia) of f 3.40 (Decca) kosten.

Natuurlijk mocht “Stille Nacht, Heilige Nacht” niet ontbreken; het volksliederenkoor van de Salzburgse middelbare scholieren zong het voor Columbia (DV 320), compleet met orgel en vioolbegeleiding. En aan de keerzijde al even (schijnbaar) stemmig gezongen “O du fröhliche, o du seelige.” Nog plechtstatiger, maar stellig smaakvoller uitgevoerd zijn “Abide with me” en “Sun of my soul”, gezongen door een kerkkoor met orgelbegeleiding (Col. MCH 9).

Decca zorgde voor de vrolijke noot door het radio-orkest “Vrij en Blij” o.l.v. Wessel Dekker met zang van Henk Dorel twee populaire, weinig originele, nummers te laten uitvoeren op M 32671: “Wij gaan vissen” en “Zing, tralala!” Nóg meer bekenden van de radio: de pianist Sandor Vidak met een potpourri (M 32670), het goede zigeunerorkest van Bandi Balogh in “Joska” en “Broken violin” op M 32449, en Leo Fuld, die twee Jiddische liederen zingt op M 32649. Zij, die geen film van Bing Crosby overslaan, kunnen hun held twee songs uit een van zijn talloze rolprenten (Annie, get your gun) horen zingen op M 32568, een plaat, die ook Dick Haymes en de Andrew Sisters aan het woord laat.

Meer dan alleen maar amusement biedt de uitbundige zang van de negerzangeres Pearl Bailey, waarvan Columbia op DB 2580 twee goede voorbeelden gaf. Maar het verrassendst vond ik het voortreffelijke orkest van de Dutch Swing College, een Nederlands ensemble dus, dat werkelijk jazz speelt in twee “klassiek” geworden nummers: “Margie” en “At the Jazzband Ball” (Decca M 32610). En de operaliefhebber komt ook aan zijn trekken: Hilde Gueden zong twee aria’s van Puccini, begeleid door het Londens Symphonie Orkest onder Josef Krips. Een prachtige opname! (Decca M 32662).

Gramofoonbezitters, die zich in de concertzaal thuisvoelen, kunnen ook ditmaal zeker hun keuze doen, want de oogst aan nieuwe (grote) platen is weer bijzonder ruim. Wie de “Danse macabre” van Saint-Saëns wil bezitten, kan zelfs uit twee opnamen kiezen. Het Chicago Symphonie Orkest speelde dit werk onder de in 1942 overleden dirigent Frederick Stock zeer exact (Columbia LX 910, f 6.50). Maar meeslepender en van een grotere verbeeldingskracht vond ik de vertolking er van door het Concertgebouworkest o.l.v. Charles Münch (Decca X 10245, f 6.75).

Artur Rodzinski dirigeerde het virtuoos spelende Cleveland Orkest in een met Slavisch élan geladen uitvoering van Tsjaikowski’s “Ouverture 1812” (Col. LX 932-933, per plaat f 6.50). En Ormandy verzorgde een voortvarende, maar niet geheel volmaakt gerealiseerde “Apprenti Sorcier” van Paul Dukas (Col. LX 1068, f 6.50).

De beste opname vond ik dit keer die van Mendelssohn’s Vioolconcert, volmaakt gespeeld door Joseph Szigeti met het prachtige, doorzichtige Londens Philh. Orkest onder Beecham. Een reproductie van uitzonderlijk peil (Col. LX 8063-8066, f 6.50 per plaat). Een even goede opname kreeg Schubert’s Onvoltooide Symphonie, door het Philharmonia Orkest uitmuntend gespeeld. Met de vele tempowisselingen van dirigent Paul Kletzki zullen velen zich misschien kunnen verenigingen, mij leken zij onverantwoord (Col. LX 8690-92, f 6.50 per plaat).

Hoe voortreffelijk Rudolf Serkin ook de solopartij vertolkt in Brahms’ eerste pianoconcert, (Col. LX 8655-8660, f 6.50 per plaat), en hoe goed de pianoklank is gerealiseerd, toch voldeed het geheel mij niet volkomen: het Pittsburg Symphonie Orkest o.l.v. Fritz Reiner is nl. niet van die klasse, dat het een dergelijke orkestpartij tot muziek kan maken.

Een lichter, maar alleszins aantrekkelijk soort muziek vertegenwoordigt Delibes’ opgewekte Coppélia Ballet, waarvan het Nationaal Symphonie Orkest onder Fistoulari de Mazurka en de Czárdás bijzonder fris speelde (Decca K 1294, f 6.75). Nóg “lichter” zijn “Mexicana” en Lecuona’s “Malaguena”, prettige pretentieloze stukken, met brio vertolkt door André Kostelanetz en zijn orkest (Col. DX 1527, f 5.10).

Categorieën
Het Parool

In Nederland geperste gramofoonplaten

Prachtige nieuwe opname van Beethoven’s “Negende”
Bijzondere uitvoeringen van Bach en Mozart

(Van onze muziekredacteur)
DE gramofoonplatenfabriek in Heemstede, die matrijzen van enkele bekende buitenlandse maatschappijen vermenigvuldigt en in ruime mate platen kan persen, werkt sinds enige tijd op volle kracht. De resultaten zijn voortreffelijk: alle platen van Columbia, Parlophone en Elite Special, die ik hoorde, zijn van de allerbeste kwaliteit en laten weinig te wensen over. Een aantal er van laat ik hier de revue passeren.

Een daad van bijzondere betekenis is, dat Columbia het aandurfde de Negende Symphonie (met slotkoor) van Beethoven op te nemen, zowel uit technisch, als uit commercieel oogpunt. Want een dergelijk moeilijk te realiseren werk van een zo unieke omvang (9 platen!) brengt men niet zo licht in de handel. Het is een in alle opzichten schitterende uitvoering geworden. In de eerste plaats is de vertolking door het Weens Philharmonisch Orkest, het koor van de Weense Muziekvrienden en het solistenkwartet Schwarzkopf, Höngen, Patzak, Hotter, onder directie van Herbert von Karajan vrijwel ideaal, en in de tweede plaats is de reproductie ronduit schitterend (LX 8612-8620, f 6.50 per plaat).

Van evenveel betekenis zijn de opnamen van Bach’s 2e, 3e en 4e Brandenburgs Concert, door Adolf Busch’ kamerorkest voorbeeldig gespeeld. De prachtige solisten zijn Marcel en Louis Moyse (fluit), Eskdale (trompet en wát voor een: een lichte Bach-trompet), Evelyn Rothwell (hobo) en Busch zelf (viool). Het tweede Brandenburgse Concert beslaat 2 platen (Columbia LX 439-440) het derde één (LX 443) en het vierde twee (LX 441-442). Ook hiervan is de prijs f 6.50 per plaat. Eén opmerking: jammer genoeg gebruikt Busch hier een piano in plaats van een clavecymbel, die mij stijlvoller lijkt.

Nóg een heel bijzondere Bach-opname leverde Elite Special op 4487 tot 4489, dus drie (kleine) platen (prijs per stuk f 3.50): het Trio en Canon uit het “Musikalische Opfer”, goed, maar niet geheel vlekkeloos gespeeld door A. Jaunet (fluit), Rudi Baumgartner (viool), K. Hemberger (gamba) en H. Andreae (cembalo). Een zeldzame reproductie, die Bachliefhebbers gaarne zullen willen bezitten!

De moed om bijzondere werken op de plaat vast te leggen, toonde ook Parlophone, die Mozart’s voor Michael Haydn gecomponeerde Duo in G voor viool en altviool (KV 423) volmaakt liet spelen door Szimon Goldberg en Frederick Riddle, en dit spel even prachtig reproduceerde (R 20576-77, f 6.50 per plaat). En dezelfde maatschappij zorgde voor een goede nieuwe opname van Mozart’s pianoconcert in Bes, KV 456, een voor de blinde pianiste Maria Theresia Paradies gecomponeerd, weinig gespeeld werk, dat hier bij Lili Kraus en het Londens Philharmonisch Orkest o.l.v. Walter Goehr in betrouwbare handen was (SW 8035 tot 38, f 6.50 per plaat). Op de achtste speelkant een zelden uitgevoerd Andante en Allegro van Mozart (KV 404), door Goldberg en Kraus voortreffelijk gespeeld.

De liefhebbers van het 2e pianoconcert van Rachmaninow kunnen hun hart ophalen aan de ideale uitvoering die Cyril Smith er van geeft, begeleid door de Philharmonie van Liverpool o.l.v. Sir Malcolm Sargent (Columbia, DX 1424 tot 28, f 5.10 per plaat). Het prachtige Weense Philh. Orkest onder Herbert von Karajan speelde al even vlekkeloos Mozart’s “Eine kleine Nachtmusik” (Col. LCX 134-135, f 6.50 per plaat).

Minder goed beviel mij het wat gladde, weinig expressieve spel van het Philadelphia Orkest o.l.v. Ormandy in Liszt’s “Les Préludes” (Col., LX 1052-1053, f 6.50 per plaat). En Parlophone’s nieuwe opname van Beethoven’s Kreutzer-Sonate, mooi gespeeld door Kraus-Goldberg, lijkt mij, wat technische realisatie betreft, niet volledig geslaagd (SW 8085-88, f 6.50 per plaat).

Aanbeveling verdienen nog: Beethoven’s Ouverture “Leonore 3” en Weber’s ouverture “Freischütz”, beide uitmuntend gespeeld door ‘t orkest van de Deense omroep o.l.v. Fritz Busch (resp. Elite TK 7060-61 en TK 7059, f 5.10 per plaat). Verder Grieg’s 1e Peer Gynt-Suite door het prachtige Londens Philh. Orkest onder Beecham (Col. LX 838-839, f 6.50 per plaat).

De pianist Cor de Groot speelde Liszt’s 8e Hongaarse Rhapsodie meesterlijk (Parl. E 11467) en zijn collega Eileen Joyce verzorgde Chopin’s Berceuse en Fantasie-Impromptu even goed (Parl. E 11432, f 6.50 per plaat). Nóg twee pianisten: Louis Kentner in twee virtuoze Liszt-bewerkingen van Paganini: La Campanella en La Chasse (Col. DX 1580, f 5.10) en Malkoezinski in enkele Chopins: twee Mazurka’s, de Polonaise in As, en een Wals en Nocturne (alle op Columbia resp. LX 1028, 982 en 974, f 6.50 per plaat).

Tot slot de lichte muze voor f 3.50 per plaat! Twee oude bekenden zongen voor Parlophone: de geestdriftige Joseph Schmidt in “Frag’ nicht” en “Ein Lied geht um die Welt” (DP 173) en Richard Tauber in “White Christmas” en “Where the blue begins” (RO 20534). Charles Trenet’s lichte, prettige zang nam Columbia op: o.a. “La Mer” (DC 414) en “Douce France” (DCF 14). De populaire Dinah Shore zingt enkele prettige songs, “Lavender Blue” en “Forever and ever” (Columbia DB 2529) en “Keep me sweet”(Col. DB 2571).

Categorieën
Het Parool

de lopende band

BIJ mijn weten bestaat er in ons land geen enkel boek over muziek, dat te vergelijken is met “In het wonderland der muziek”, een door mevr. M. Andriessen-Bies in het Nederlands bewerkte uitgave van “Ins Wunderland der Musik”, door de Zwitser Kurt Pahlen. Het is een alleraardigst boek voor kinderen geworden, waarin op een prettige, niet docerende manier over allerlei zaken uit de algemene muziekleer en -geschiedenis wordt verteld.

Eigenlijk kan iedereen het lezen, maar een bijzondere verdienste is wel, dat het geschikt is voor kinderen van pas een jaar of negen. De jeugd is er voortdurend zelf in aan het woord, stelt vragen en de schrijver geeft antwoorden. Hij vertelt hun over de zangstemmen, de instrumenten, neemt hen mee naar een concert van een echt orkest, naar een opera opvoering, en zelfs gramofoon, radio en film komen ter sprake.

Van bekende componisten komt men het een en ander te weten, en ten slotte zingen de kinderen zelf in een koor mee. De uitgeverij “Kosmos”, Amsterdam-Antwerpen, zorgde voor een frisse uitgave. Prijs f 4.90.

L. V. D.

Categorieën
Het Parool

Nieuwe gramofoonopnamen van klassiek, jazz en chansons

Beethoven en Smetana, Ellington, Lys Gauty

U weet niet wat U Sint-Nicolaas voor cadeaux moet vragen? Voor muziekliefhebbers, die een gramofoon bezitten, is de zaak gauw opgelost. Men kan thans weer in ruimere mate gramofoonplaten kopen. En uit de opnamen, die “Decca” onlangs op de markt bracht, zult U zeker een keuze kunnen doen, want ze zijn bijna zonder uitzondering van de allerbeste kwaliteit.

Bij de klassieke werken vond ik Beethoven’s Zesde Symphonie (de pastorale) wel het mooiste, ten eerste omdat de uitvoering door het doorzichtige Londens Philharmonisch Orkest o.l.v. Erich Kleiber aan de allerhoogste eisen voldoet en ten tweede omdat de opname vrijwel ideaal is. Strijkers en blazers “komen” schitterend “door” en de verhouding tussen de verschillende orkestgroepen is volmaakt gerealiseerd. Het geheel bestaat uit tien plaatkanten (AK 1824-1828).

Ook in Brahms’ vioolconcert (AK 2055-2059, tien plaatkanten) is de orkestklank van het Concertgebouworkest onder Charles Münch uitstekend. Bovendien speelde Ossy Renardy de solopartij met krachtige, kloeke toon en bijzonder expressief.

Bezwaren: de viooltoon (die in de hoogte wat scherp gereproduceerd is) is te sterk ten opzichte van de orkestklank. In het eerste deel trof mij een te vroege inzet, in het tweede de voortreffelijke hobosolo (wat natuurlijk géén bezwaar is!).

Rimski-Korsakow’s “Sheherazade” was bij het Parijse Conservatoire Orkest in goede handen, al is de directie van Ernest Ansermet, hoe verzorgd ook, mij wel wat te precieus en onbewogen. Maar de vele solistische partijen worden virtuoos gespeeld en bijna even goed is de acoustische weergave (AK 1980-1985, twaalf plaatkanten).

Nog een bijzonder geslaagde opname is K 1667, waarop het BBC-Theater Orkest o.l.v. Walter Goehr aan de ene kant “De dans van de komedianten” speelde en aan de keerzijde de Polka uit Smetana’s “Verkaufte Braut”. Prachtig meeslepend orkestspel en, op enkele plekken na, een ideale opname.

“Klassieke jazz”

Ook op het gebied der jazz heeft de “Decca” uitstekend werk gedaan door enkele “klassieken” uit te brengen. Ronduit meesterlijk vond ik Bob Zurke’s pianosoli in twee opnamen van Bob Crosby’s orkest: de opwindende “Yancey Special” en “Honky Tonk Train Blues”, beide voorbeelden van de echte dixielandstijl (M 32549). En direct hierop volgt M 32548, die het King Cole Trio de gelegenheid bood “That ain’t right” en “Scotchin’ with the soda” te spelen. Ook hier prachtig pianospel, door Cole zelf, die ook de zangsolo verzorgt.

Kenmerkend voor Duke Ellington zijn “East St. Louis Toodle-Oo”, (zijn vroegere herkenningsmelodie) en “Rockin’ Chair”, kenmerkend om de merkwaardige, donkere achtergrond van koperen blaasinstrumenten (M 32645). Ellington is in deze opnamen niet op zijn allerbest, maar toch zijn ze zeer de moeite waard. Ella Fitzgerald, die ook haar sporen verdiend heeft in de jazz, zong met de Song Spinners “Tea leaves”, een vervelende, zoetelijke foxtrot. Aan de keerzijde: “You turned the tables on me”, dat veel beter is en aan de “echte” jazz doet denken (M 32567).

Chansons

Wie van het Franse chanson houdt, moet beslist plaat M 32581 kopen, waarop Lys Gauty een foxtrot (“L’oiseau bleu”) zingt en een wals (“Dis-moi pourquoi”). Een heel persoonlijke manier van zingen, zeer bezield en hartstochtelijk. Zij wordt uitstekend begeleid door een Nederlands orkest o.l.v. Gerard van Krevelen, dat veel beter is dan de beide Franse orkesten, die Lucienne Boyer ondersteunen op M 32532. Trouwens ook de zang van Lucienne Boyer is lang niet zo persoonlijk als die van Lys Gauty. Lucienne zong twee prettige Franse walsjes: “Amour” en “Prends-moi dans tes bras”.

De Decca liet nóg twee Nederlandse ensembles aan bod komen. In de eerste plaats het uitstekende kwartet van Sem Nijveen, dat een heel apart karakter demonstreert in “Kreuzer-Etude” en Khatsjatoerian’s “Sabeldans” (M 32601), virtuoos gearrangeerd en uitgevoerd. En in de tweede plaats het kwartet Jan Corduwener, dat ik in “Trifle” en “Bell Bottom Trousers” niet erg kon bewonderen. Het speelt conventioneel en saai in arrangementen, die even vervelend zijn (M 32673).

LEX VAN DELDEN

Categorieën
Het Parool

Zwitserse radio zendt de Roosevelt-symphonie van Nico van der Linden uit

(Van onze muziekredacteur)
Radio Genève gaat Nico van der Linden’s “Elegie”, een ééndelige symphonie ter nagedachtenis van wijlen president Roosevelt, op gramofoonplaten opnemen en begin 1950 uitzenden in een speciaal programma, dat aan de grote Amerikaanse staatsman zal zijn gewijd. Bovendien wordt het werk door alle andere Zwitserse zenders uitgezonden, o.a. door Beromünster, Monte Ceneri en Schwarzburg. Dat gebeurt via de kortegolfzenders, zodat heel Amerika er naar kan luisteren.

De uitvoering wordt verzorgd door het Orchestre de la Suisse Romande o.l.v. de dirigent Appia.

Nog een ander succes heeft de heer Van der Linden geboekt: hij is uitgenodigd om in Augustus 1950 met het Amsterdamse Postaal Mannenkoor “Kunst na Kracht” een concert in Bern te geven. Het koor zingt daar een programma, dat grotendeels zal bestaan uit Nederlandse a cappella-werken voor mannenkoor.

Categorieën
Het Parool

Harald Saeverud in Amsterdam

Componist van nieuwe muziek bij Ibsen’s “Peer Gynt”

(Van onze muziekredacteur)
Het gezicht, dat u hier ziet, is van Harald Saeverud; een nors gezicht, zult u misschien vinden, in ieder geval is het Noors, want de eigenaar er van is een Noor en bovendien de componist van de nieuwe muziek bij Ibsen’s “Peer Gynt”, die sinds vorig jaar in Noorwegen wordt gebruikt in plaats van die van Grieg. Het was al eerder in deze kolommen te lezen: op 21 en 22 Nov. komt het Norske Teatret onder regie van Hans Jacob Nilsen in Den Haag “Peer Gynt” spelen en 24 November is Amsterdam aan de beurt, 26 Rotterdam.

Saeverud is Woensdag reeds in Amsterdam aangekomen, waar ik vorig jaar met hem had kennis gemaakt: een man die weinig zegt, maar wát hij zegt, is meestal geestig en getuigt vaak van een merkwaardige opmerkingsgave. Zo was het eerste, dat hem Woensdag in mij trof, mijn strikje, zo’n geval, dat kenners van de herenmode een “butterfly” plegen te noemen. Dat strikje vond hij prachtig. En dat hij daarop lette, is begrijpelijk, als u weet, dat hij verzot is op strikjes; die draagt hij dan ook steevast.

“Toen Nilsen mij vroeg een nieuwe “Peer Gynt”-muziek te componeren, vond ik dit voorstel een misdaad,” zegt Saeverud, “ik zou er mijn nek op breken en ik wilde weigeren. Maar na één nacht slapen, was de helft als vanzelf ontstaan. Grieg’s muziek vind ik prachtig, maar zij past er niet bij en bewijst dat Grieg Ibsen’s stuk niet begrepen heeft.

Of mijn muziek moderner is? Natuurlijk wèl de middelen, maar de geest, het wezen er van is eerder ouder; zij is primitiever in de letterlijke betekenis van het woord. Het publiek in Nederland zal haar bij de a.s. voorstellingen op gramofoonplaten horen. Beter met een goede plaat, dan met een te weinig voorbereid orkest. Maandag a.s. dirigeer ik voor de radio (Hilversum II) mijn “Peer Gynt”-muziek, 8.05 tot 9.05 uur.”

Voor het 1e, 4e en 5e bedrijf zal Aline Markus een korte verklarende tekst uitspreken. Saeverud is thans bezig muziek te schrijven bij een ander stuk van Ibsen: “Caesar en Galilea”. De nieuwe “Peer Gynt”-muziek is behalve meer dan 100 keer in Noorwegen, ook in Zweden uitgevoerd. Begin 1950 zal Finland er kennis mee maken en daarna de Ver. Staten

Categorieën
Het Parool

Het Concertgebouworkest speelde Bruckner’s Zevende Symphonie voor de gramofoon

NIEUWE ORKESTPLATEN

GEEN componist neemt in de muziekgeschiedenis een zo merkwaardige plaats in als Anton Bruckner. Want levend van 1824 tot 1896, dus in een tijd, dat de Romantiek hoogtij vierde, componeerde hij werken, die van stijl en inhoud direct aansluiten op de barokke kerkmuziek van de 17de en 18de eeuw. Onze tijd begint eigenlijk pas goed de uitzonderlijke waarde van Bruckner’s oeuvre te beseffen en vooral Amsterdam heeft de laatste jaren veel bijgedragen tot de verbreiding er van.

Men weet het, Eduard van Beinum bezit een duidelijke affiniteit tot, verwantschap bijna met Bruckner en zijn vertolking van de Zevende Symphonie kan dan ook vrijwel ideaal worden genoemd. Het is een daad van betekenis, dat Decca dit ongeveer zeventig minuten durende werk op gramofoonplaten heeft opgenomen. De opname beslaat vijftien plaatkanten en de resterende zestiende zijde wordt ingenomen door de Wals uit Tsjaikowski’s Serenade voor strijkorkest (AK 1916-1923).

Zover mij bekend is, bestonden er reeds drie uitvoeringen voor de gramofoon van deze Symphonie, door de Philharmonische Orkesten van resp. Wenen, Berlijn en München. Maar geen is zo volmaakt als de nieuwe, door het Concertgebouworkest o.l.v. Eduard van Beinum. Met volmaakt is dan zowel de vertolking bedoeld als de wijze, waarop het geluid technisch is gerealiseerd.

Geen “aardse” emoties zal men in dit meesterwerk ontdekken, geen sentimentaliteit, geen literaire of programmatische associaties, die juist zo kenmerkend zijn voor de Romantiek. Wat men dan wel te horen krijgt? Kort gezegd zijn dat twee eigenschappen: in de eerste plaats, dat Bruckner een typische Oostenrijker was, die hield van het vredige landschap, waarin hij woonde, en in de tweede plaats legt de muziek getuigenis af van Bruckner’s katholicisme, dat hier verheven is tot een sterk religieuze mystiek. Een duidelijke neerslag hiervan vindt men in de orgelachtige instrumentatie en de veelal door koperblazers gespeelde brede melodieën, die aan koralen doen denken.

Barok is deze symphonie, barok als de monumentale architectuur van oude kerken met haar voorname overdaad, die van een volmaakt evenwicht is. Een harmonie, die gelijk is aan die der klassieken, evenzeer religieus en onmiddellijk zich richtend tot God. Het is vooral dit religieuze levensgevoel, dat Bruckner’s werk boven de tijd uitheft, het een tijdloze eeuwigheidswaarde verleent.

Een andere prachtige opname van Decca is die van Bach’s Derde Brandenburgs Concert, gespeeld door het Strijkorkest van Boyd Neel (K 1619), doorzichtig van klank en voortreffelijk van acoustiek. Victor Olof dirigeerde het National Symphony Orchestra in een glanzende uitvoering van Chabrier’s rhapsodie “España” (K 1219).

Ook het Residentie Orkest zorgde voor twee nieuwe opnamen. Het begeleidde, onder Willem van Otterloo, de altzangeres Annie Woud in Gluck’s aria “J’ai perdu mon Euridice” (uit “Orpheus”) en Saint-Saëns’ “Mon coeur s’ouvre à ta voix” (uit “Samson et Dalila”). Een plaat van goede kwaliteit, waarin de zangeres naar mijn smaak te luid is in verhouding tot het orkest (X 10199). En tenslotte dirigeerde Frits Schuurman hetzelfde orkest in een virtuoze uitvoering van Wagenaar’s ouverture “De getemde feeks” (X 10181).

Zij, die houden van de onpersoonlijke zang van Eddy Christiani kunnen hem samen met “Accordeola” o.l.v. Frans Wouters, een “Lied van de zee” en “Houdt de dief” horen zingen (M 32578). Even vervelend vond ik een sentimentele foxtrot en wals, gespeeld door Guy Lombardo en zijn Royal Canadians, met platvloerse zang van Tony Craig en Skip Nelson (M 32413).

Een Hammond-orgel is zo een bioscoop-apparaat, dat sommigen hevig ontroert, maar waarvan anderen een nare smaak in de mond krijgen. U kunt het instrument horen bespelen door Ethel Smith in twee bekende foxtrots van Irving Berlin (M 32559), maar voor U de plaat koopt, moet U voor U zelf uitmaken, welke reacties een bioscooporgel bij U teweeg brengt.

Verreweg het beste beviel mij de kittige zang van de filmster Carmen Miranda, die “Upa-upa” en “Tico-tico” zingt met begeleiding van de Bando da Lua. Ze doet dat in het Portugees en dat verklaart voor kenners van die taal misschien wat de titels betekenen. Voor mij zijn het niet anders dan de felle uitroepen, die zo goed passen bij de Zuid-Amerikaanse rhythmen van deze prettige, opgewekte dansen (M 32540).

LEX VAN DELDEN

Categorieën
Het Parool

Met André Kostelanetz langs de Amsterdamse grachten

(Van onze muziekredacteur)
“Zullen we een wandelingetje langs de grachten maken?” Dat werd ons door iemand gevraagd, Vrijdagavond om een uur of negen. Nu hebben wij nooit bezwaar tegen zo’n wandelingetje door Amsterdam, op een mooie avond. In dit geval was het zelfs bepaald erg prettig, want de man, die de vraag stelde, was niemand minder dan André Kostelanetz, de bekende Amerikaanse dirigent, die enige dagen in Amsterdam vertoefde. Incognito.

Als u deze regels leest, zit hij al weer in de trein naar Parijs. Daar dirigeert hij enige concerten en zijn vrouw, de zangeres Lily Pons, zal daarbij als soliste optreden.

“U moet mijn vrouw excuseren, zij is al naar bed gegaan,” zegt hij, “want het was een vermoeiende dag. Wij zijn juist terug van Soestdijk, waar wij ontvangen zijn door uw Koningin en Prins Bernhard. Dat bezoek heeft diepe indruk op ons gemaakt: het was alles zo hartelijk en democratisch. Een ware climax van ons verblijf in Holland.”

We lopen in de Vijzelstraat. “Ik wil graag een paar huizen aan de Herengracht zien,” zegt Kostelanetz, en het blijkt natuurlijk “de bocht” van de Herengracht te zijn. “Die zie ik liever des avonds, als het stil is op straat.” Met kennersblik monstert hij, bedachtzaam aan zijn pijp trekkend, de regelmatige architectuur van ons stadsschoon. “Wat een historie, wat een sfeer ademt dat alles,” is zijn commentaar. Hij geniet er kennelijk van.

Hij blijkt ook van onze schilderijen te houden, want in die enkele dagen dat hij hier was, heeft hij niet alleen het Rijks- en Stedelijk Museum van de hoofdstad bezichtigd, maar ook het Frans Hals Museum in Haarlem en het Mauritshuis in Den Haag. “Eindelijk heb ik dan al die prachtige Rembrandts, Frans Halsen en Jan Steens gezien, die ik alleen maar van reproducties kende. In drie dagen heb ik meer kunnen bewonderen dan in de hele rest van mijn leven,” zegt hij enthousiast.

Hij is voor het eerst in ons land, maar in 1945 heeft het weinig gescheeld of hij had in Maastricht gedirigeerd. “Dat zit zo,” verklaart hij. “Mijn vrouw en ik traden voor de Amerikaanse troepen op, overal aan de fronten. In Februari 1945 concerteerden we in Birma, op korte afstand van de Japanse legers. Op een goede dag werden wij per vliegtuig naar België gestuurd. Er werd een soldatenorkest gevormd en wij zouden naar Maastricht gaan. Op het laatste ogenblik werd het veranderd in Keulen, waar wij optraden terwijl de Duitsers drie mijl van ons verwijderd zaten te vuren. Heel gevaarlijk maar inspirerend.

Misschien dirigeer ik volgend jaar ‘t Concertgebouworkest, met mijn vrouw als soliste. Wij zijn het ten minste van plan,” verklapt hij. Hij spreekt met bewondering over het Amerikaanse concertleven, over de meer dan 130 orkesten die daar zijn, over de componisten, vooral over Copland en Creston, die werken aan hem hebben opgedragen. Over de enorme ontwikkeling die het culturele leven in de Verenigde Staten doormaakt. Over zijn vriend Pierre Monteux die hij helaas niet in zijn hotel in Amsterdam aantrof, omdat hij enige dagen in Parijs was.

Hij vertelt van een concert in Chicago. “Daar speelde ik voor 325.000 mensen, die via luidsprekers in de straten naar het concert luisterden. Ik dirigeer ook televisieconcerten; die zijn erg in de mode in Amerika.”

U kent Kostelanetz natuurlijk van de gramofoonplaten, die de radio regelmatig uitzendt. Maar wist u, dat hij in Sint Petersburg is geboren en 25 jaar geleden Amerikaan werd? Bijna had hij eens een Van Gogh gekocht – een valse of echte, dat laten wij in het midden -, maar toen hij in Honolulu moest optreden, en een kijkje in het museum ging nemen, hing het schilderij daar al. Net voor zijn neus verkocht. Pech of misschien juist niet, wie zal het zeggen…?

Categorieën
Het Parool

Gramofoonplaten voor operaliefhebbers

De gramofoonindustrie heeft de talrijke operaliefhebbers nooit vergeten – commerciële overwegingen alleen al maken het veronachtzamen van deze groep muziekminnenden tot een absurditeit. Decca heeft voor hen een aantal nieuwe opnamen verzorgd van bekende operafragmenten.

De beroemde sopraanaria “Una voce poco fa” uit Rossini’s “Barbier van “Sevilla” werd virtuoos gezongen door Janine Micheau, uitstekend begeleid door het Londens Symphonie Orkest o.l.v. Muir Mathieson (X 10049). De acoustisch voortreffelijke opname beslaat twee plaatkanten en geeft de volledige aria weer, dit in tegenstelling met enige Amerikaanse uitgaven op één plaatkant, die slechts een overzicht geven van de technisch moeilijke gedeelten.

Plaat X 10117 bevat: fragmenten uit twee van Gounod’s opera’s: aan de éne zijde hoort men een koor uit “Romeo en Julia” en aan de andere de populaire wals uit “Faust”. Het B.B.C.-Theater Orkest en Koor o.l.v. Walter Goehr tekenden voor de goede, zij het wat vlakke uitvoering.

Zij, die van Richard Strauss’ symphonische gedichten houden, kunnen hun hart ophalen aan een voortreffelijke opname van zijn “Till Eulenspiegels lustige Streiche”, in een minutieuze en goed afgewogen vertolking door het orkest van de Scala in Milaan, gedirigeerd door Clemens Krauss. (X 10094-X 10095).

De lichte muziek

De amusementsmuziek komt dit keer niet zo goed uit de bus: van zowel de beide, wel erg simpele samba’s, die Edmundo Ros en zijn Rumba-band speelde op M 32387, als de zoet-sentimentelerige walsjes, waarvoor Dick Haymes (zang) met The Song Spinners (M 32477) verantwoordelijk zijn met de gemene kleuren van puddingsauzen, om u een indruk te geven…..

Ook de marsachtige schijnopgewektheid van de blikkerige foxtrots, die Russ Morgan en zijn orkest, compleet met zang en orgel, uitvoerden op M32437 kon mij maar matig bekoren. Neen, dan hoor ik veel liever werkelijke marsen als de “Mariniersmars” en “Alte Kameraden”, die Cor Steyn uit het orgel van het City Theater in Amsterdam te voorschijn toverde (M 32482). Die mogen op bruiloften en partijen zeker niet ontbreken.

LEX VAN DELDEN